Begrippenlijst

Begrippenlijst

Begrippenlijst
Vaccinatie:
Vaccinatie komt van het Latijnse woord vacca, dat ‘koe’ betekent. De arts Edward Jenner ontdekte in de 18de eeuw dat de voor mensen ongevaarlijke koepokken bescherming gaven tegen de gevaarlijke pokken die bij de mens kunnen voorkomen. In de 19de eeuw ontdekte Louis Pasteur dat kippen die met een oude kweek van kippencholerabacillen werden ingespoten, daarna niet meer vatbaar waren voor vers gekweekte bacillen. Omdat Pasteur een overeenkomst zag met het inenten met koepokken, noemde hij dit proces vaccineren, een begrip dat nu nog gehanteerd wordt.
Virus:
Het Latijnse woord virus betekent ‘vergif’ of ‘venijn’. Bij vaccinatie wordt getracht om via tegengif een schadelijk virus (gif dus) in de mens te doden. Virussen behoren tot de  kleinste organismen, vele zijn nuttig, andere schadelijk of zelfs gevaarlijk. Eén menselijke cel biedt plaats aan miljoenen virussen. Een virus vermenigvuldigt zich enkel in een levende cel, de gastheer. Als ankerplaats gebruiken virussen o.a. eiwitten, koolhydraten of vetten op onze celwand. Zo richten hepatitisvirussen zich specifiek op onze levercellen. Virussen kunnen zeer snel muteren. Onze moderne leefwijze en de toenemende globalisering zijn oorzaak van de snelle verspreiding van virussen. Het kwaadaardige ebolavirus en Westnijlvirus zijn daar voorbeelden van.
Immuunsysteem:
Het immuunsysteem beschermt het lichaam tegen infecties. Maakt uit zichzelf witte bloedcellen en antilichamen/antistoffen aan om een binnengekomen ziekteverwekkende stof die het immuunsysteem niet als lichaamseigen herkent (antigeen), af te weren. Antigenen kunnen gifstoffen zijn, virussen, bacteriën (kleine eencellige organismen, waarvan er duizenden soorten zijn), schimmels en protozoën (eencelligen), maar ook weefsel en cellen van getransplanteerde organen. Vermenigvuldigt een virus zich, dan nemen de antigenen een andere vorm aan om herkenning tegen te gaan, ‘antigene drift’ genoemd. Bij ingrijpende mutaties (‘antigene shift’) is er geen voldoende immuniteit meer en kan het virus een epidemie teweegbrengen, bijvoorbeeld een griepepidemie.
Griepepidemie:
Griep is het populaire woord voor influenza, afkomstig van het Latijnse werkwoord influo, dat ‘in iets uitstromen’, ‘(onopgemerkt) binnendringen’ betekent. Griepvirussen van verschillende soort kunnen veel ellende veroorzaken. De seizoensgriep eist jaarlijks wereldwijd honderdduizenden doden. Epidemie komt van het Grieks epi (onder) en demos (volk). Het virus komt ‘onder de bevolking’. Een griepvirus is tussen de 80 en 100 miljoenste millimeter ‘groot’. Vogels zijn het belangrijkste reservoir van een griepvirus, mede veroorzaakt door de dieronwaardige bio-industrie. Vogelgriep verwijst naar een reeks van virussen die vooral vogels (met name eenden, zwanen, ganzen en kippen) treffen. Soms echter kunnen deze virussen ook andere dieren besmetten, zoals varkens, maar ze kunnen ook overspringen op mensen. Sinds 1997 (Hongkong) heeft het vogelgriepvirus A- H5N1, meestal aangeduid als H5N1, voor het eerst andere dieren en zelfs mensen geïnfecteerd. Er ontstaan dan ernstige ziektes bij mens en dier, waarbij dieren vaak massaal worden afgeslacht.   Drie keer werd de wereld getroffen door een influenzapandemie: in 1918 (H1N1, ten onrechte ‘Spaanse Griep’ genoemd); in 1957 (H2N2) en in 1968 (H3N2). De ‘Spaanse griep’ eiste tussen de 20 en 30 miljoen doden.
Pandemie:
Als het griepvirus over de hele wereld reist en hele bevolkingsgroepen infecteert, is er sprake van een pandemie, van het Griekse pan (alle(n) en demos (volk). In het volksgeloof verbond men een dergelijke uitbraak met het geloof dat dit van buitenaf werd veroorzaakt, vaak door demonen. Er breekt dan paniek uit, een plotselinge algehele angst bij de hele bevolking. Een grieppandemie is een wereldwijde griepepidemie, veroorzaakt door een nieuw griepvirus (subtype van het influenza A-virus), dat zich op dezelfde wijze als de normale griep verspreidt: via hoesten en niezen. Omdat het virus nieuw is, herkent het immuunsysteem dit niet meteen en heeft (even) weinig weerstand. Het is de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) die volgens ‘wetenschappelijke criteria’ bepaalt wanneer er sprake is van een pandemie, hoe ze bestreden dient te worden en welke maatregelen er genomen moeten worden. De WHO is een onderafdeling van de in 1947 opgerichte Verenigde Naties, waar de machtige oliebaron John D. Rockefeller een sleutelrol in speelde en die niet veel later ook ‘denktanks’ oprichtte als de Council on Foreign Relations (CFR) en de Trilaterale Commissie, waaruit heel wat presidenten, secretarissen-generaal van de VN en NAVO worden gerekruteerd. Bij een pandemie heeft de WHO als centraal beleid: vaccinatie. Andere mogelijkheden komen niet ter sprake.